Parcifal

Zoals al eerder aangehaald was het jaar 1188 het jaar dat de Priorij van Sion en de Kruisridders uit elkaar gingen. Opmerkelijk genoeg werd in dat jaar ook het inmiddels bekende en klassieke werk van Cretien de Troyes gepubliceerd. Perceval le Gallois ou le conte du Graal. Het was voor het eerst dat er in de moderne tijd literatuur verscheen waarin over de Heilige Graal werd gesproken. De schrijver leefde en werkte voor de Tempeliers en bevriende graven in de streek Champagne.

Het verhaal gaat over een ridder, genaamd Perceval die op een nacht tijdens een bezoek aan een burcht een geheimzinnig object, de graal, te zien kreeg. In zijn vertelling werd de graal nog niet geassocieerd met Jezus.

Dat gebeurde enkele jaren later, toen de Bourgondische dichter Robert de Boron zijn Roman de l'Estoire de Graal afrondde (dat in 1261 nog als Historie van den Grale zou worden vertaald door de hofdichter van Floris V, Jacob van Maerlant). Boron stelde dat zijn kennis over de graal afkomstig was uit een geheim oude boek. Hij omschreef de graal als een schaal die bij het laatste avondmaal werd gebruikt, om daarna in handen van Jozef van Arimatea te belanden, op wiens landgoed het avondmaal zich afspeelde. Jozef zou met de schaal het bloed van Jezus hebben opgevangen, dat na de dood van Jezus naar Europa zou zijn overgebracht.
Bijna gelijktijdig met
Borons boek verscheen een anoniem werk, Perlesvaus genaamd, waarvan de experts aannemen dat het uit de rijen der tempeliers afkomstig was. Daarin werd voor het eerst een connectie gelegd tuisen de graal en de tempeliers, terwijl de graal hier eerder als een bewustzijnstoestand dan als een object werd gekenmerkt. Parsifal wordt in dit boek tijdens zijn omzwervingen op een burcht ontvangen, waar een bijeenkomst van Ingewijden plaatsvindt. Hij wordt door twee 'Meesters' ontvangen, waarna 33 ridders verschijnen, van wie de beschrijvingen geheel stroken met het bekende beeld der tempeliers. 'Ze waren in witte gewaden gekleed. Allen droegen een rood kruis op de borst, en het leek dat ze allemaal even belangrijk waren.'
Het belangrijkste graalboek werd echter geschreven door
Wolfram von Eschenbach, wiens Parzifal - tussen 1197 en 1210 ontstaan - nog altijd als een monument van de middel-hoog-Duitse letterkunde geldt. De Beierse ridder vertelde dat hij al zijn informatie over de graal betrokken had van een geleerde genaamd Meester Kyot de Provence, die in Toledo een oud Arabisch handschrift over het wezen van de graal zou hebben ingezien. Volgens de overlevering stuitte Kyot in Spaanse Toledo, toen een vermaard Islamitisch centrum voor de studie van zowel joodse als Arabische mystiek, op een tekst met een verwijzing naar het bestaan van de graal. Kyot ging op zoek naar verdere sporen van de graal. Sommige Parzifal-deskundigen menen dat hij in het Franse Anjou het definitieve, maar niet nader genoemde bewijs vond. Anjou was een zeer belangrijk centrum van de tempeliers. Graaf Fulk van Anjou zou het zelfs tot koning van Jeruzalem schoppen. Von Eschenbach liet in zijn boek veel ruimte voor magie uit de kabbalistische keuken en toespelingen op een geheim geslacht van heersers. Ook is zijn dichtwerk vergeven van de verwijzingen naar de tempeliers, die in hun burcht Munsalvaesche, volgens Von Eschenbach in de Pyreneeën gelegen, onder meer zouden beschikken over de steen der wijzen, die gelijk zou zijn aan de graal. Deze verwijzing naar de Steen der Wijzen zou een belangrijke aanwijzing kunnen zijn naar de Ark des Verbonds. De Nederlandse onderzoeker Klaas van Urk (boek is een aanrader!) stelt dat in de Ark een steen lag die op wat voor wijze dan ook de macht aan de bezitter gaf. Terug naar Eschenbach. Hij omschreef de steen alsvolgt:
'Hoort wat de strijdende ridderschap voeding verschaft: Zij leven van een steen/ Die edel in zijn soort moet zijn./ Is hij nog onbekend,/ Zijn naam wordt u hier genoemd:/ Hij heet lapis exilis./ Door zijn kracht verbrandt de foenix,/ Zodat hij tot as wordt/ En dan verjongd uit de gloed ontzweeft/ De foenix schudt zijn veren/ En verkrijgt opnieuw een lichte glans,/ Zodat hij schoner wordt dan ooit./ Al heeft een mens nog zoveel pijn,/ Hij zal niet sterven op dezelfde dag/ Waarop hij de steen aanschouwen mag/ En ook de volgende week niet/ Ook zijn aanzicht zal niet worden ontsierd:/ De kleur blijft helder en zuiver/ Als hij dagelijks de steen aanschouwt,/ Zoals hij in zijn beste tijd/ Eens was, als jongeling of meisje/ Zag hij de steen tweehonderd jaar,/ vergrijzen zou hem niet zijn haar./ Zo'n kracht geeft aan de mens de steen,/ Dat zijn vlees en gebeente/ Op slag verjongen/ Deze steen wordt graal genoemd.'
 

De overleveringen rond de graal zoals die in de twaalfde eeuw ontstonden, moeten vooral in het teken worden gezien van het niet-katholieke christendom zoals dat vooral in de Languedoc in die tijd stevig had postgevat. Het gebied dat de paus altijd al een doorn in het oog was geweest, vanwege de afwijkende gebruiken aldaar op het gebied van religie, was uitgegroeid tot een zeer rijke regio, alwaar de religieuze tradities van het Arianisme, het manicheïsme en de gnosis waren versmolten tot een alternatief christendom, dat wellicht veel dichter bij de bron van het originele geloof stond dan de met allerlei verdichtsels en hevige censuur bij elkaar gehouden leer van Rome. De aanhangers van deze stroming werden aangeduid als de Katharen - waaraan later het Nederlandse begrip 'ketter' zou ontstaan. Van de dogma's van de r. k. Kerk trokken zij zich weinig aan. Hun godsbegrip stond los van de instituties en ging ervan uit dat ieder mens een god in zijn gedachten was, als iemand zich tenminste kon ontworstelen aan de greep van het materiële.  Bij de Katharen vervulden ook vrouwen belangrijke functies als priesteressen.
De graalmystiek moet worden gezien als een literaire uiting van deze nieuwe geest. Gaandeweg
ontstond er tussen de Katharen en de tempelridders een steeds steviger band. Uiteindelijk waren zij zielsverwanten in hun ideeën en hun praktijken, die wellicht nog het beste kunnen worden verklaard aan de hand van de contacten met de Arabische wereld. De vierde grootmeester van de Tempelorde was zelfs een Kathaar: Bertrand de Blanchefort, grootmeester van 1153 tot 1170. Hij zorgde voor een enorme machtsexpansie van de tempeliers, waarbij de Languedoc nadrukkelijk als een van de hoofdkwartieren van de orde fungeerde.

Telkens weer hebben de Katharen en de tempeliers, in combinatie met de graaloverlevering, de verbeelding van allerhande mystici en kunstenaars geprikkeld. Vooral het literaire meesterwerk van Wolfram von Eschenbach, dat in de romantische negentiende eeuw werd 'herontdekt', is daar debet aan. De meeste van Eschenbachs moderne lezers gingen voorbij aan de boertige humor van de berooide Beierse ridder en namen zijn graallegende zo letterlijk mogelijk, inclusief de mededeling dat de graal, na door de ridder Parsifal te zijn ontdekt, een veilig heenkomen in Ethiopië vond. Hiermee is de cirkel weer rond. Zie het Ethiopische hoofdstuk van deze site.

 Von Eschenbachs heldenepos inspireerde Richard Wagner tot zijn laatste opera Parsifal.

De belangrijkste Graalverhalen zijn:

1. Grand St. Grail (1200)

2. Parzival (1207) door Wolfram von Eschenbach

3. Queste del Saint Graal (1210)

4. Perlesvaus (1225)

5. Le Mort d’Arthur (1485) Sit Thomas Malory

Tekstvak: Terug naar beginpagina
Tekstvak: Terug naar linkspagina